|
dé model winkel voor uw hobby
Voor Roco klikt u hier en Fleischmann klikt u hier Voor bestellingen mailt u info@oude-station.nl met in de vermelding artnr. en merk |
|
|
Algemeen nieuws van de verschillende digitale producten
Nadat Uhlenbrock begin van het jaar aankondigde met een nieuwe Intellibox te komen , nu verschoven naar eind 2009, is Roco al met een draadloze locmuis op de markt gekomen, de Multimuis Pro. Ook heeft fleischmann het gat tussen de Lokboss en het twincenter opgevuld. De lokboss was te beperkt en het Twincenter te uitgebreid en te ingewikkeld voor veel (oudere) digitale treinrijders. Dit gat is nu opgevuld door de Profiboss, een handheld centrale. Het aparte aan de Profiboss is dat deze geen aparte centrale heeft. De booster stroom van de centrale is 1.8 Amp. Uitbreiden kan dan ook niet met losse modules , maar indien gewenst kan de Profiboss aan het Twincenter gekoppeld worden. De proifboss kan wel decoders uitlezen en dat is weer een vooruitgang t.o.v. de Multimuis. Maar Roco zit ook niet stil en heeft als antwoord De Multimuis Pro. Dit is een draadloze centrale met muis en Software (Rocomotion). Deze eenheid kan zowel programmeren als uitlezen. De centrale heeft een forse boosterstroom van 3 Amp. en dat is niet verkeerd voor een instapcentrale. Overigens kan het vermogen nog opgevoerd worden door apart bij te kopen boosters met een kracht van 3 Amp. Ook zijn wissels schakelbaar via de Multimuis Pro en mocht dit te lastig zijn dan kan u altijd nog een routecontrol aanschaffen om de wissels en wisselstraten te bedienen. De Multimuispro heeft , zoals eerder opgemerkt, een draadloze verbinding , storingsvrij en richting ongevoelig, USB aansluiting op de centrale voor evt. updats via de computer of bediening via pc software (rocomotion wordt meegeleverd), 3 loconet aansluitingen, programmeren via de programmeer rails en met POM, uitlezen van de decoders. En op de centrale kunnen meerdere lokmuizen aangesloten worden!! Hoewel het Marklin Central Station 1 nog maar net geïntroduceerd is heeft Marklin al een opvolger aangekondigd en uitgeleverd het Central Station 2 .! Een zeer mooie centrale met kleurenscherm , het lijkt wel een spelcomputer. Dat de modelspoorcentrales en de PC elkaar steeds meer wordt door dit model wel erg duidelijk gemaakt.
De digitale techniek in vogelvlucht De techniek achter een analoge modelbaan is redelijk eenvoudig. Een trafo voedt een lage spanning aan de rails. De loc staat op de rails en neemt spanning af. Door te draaien aan de regelaar van de trafo controleren we de hoogte van de spanning die op de rails staat. Hoe hoger de spanning des te sneller het motortje in de loc draait. Als 2 locs op hetzelfde stukje rails staan, zullen ze gelijkertijd gaan rijden, omdat ze dezelfde spanning krijgen. Om ze apart van elkaar te bedienen zijn verschillende stroomkringen aparte trafo’s nodig. Een digitale modelbaan is op een fundamenteel ander principe gebaseerd. De voedingsspanning bepaalt nu niet meer wat er gebeurd, maar de gegevens of data doen dat. De centrale eenheid van het digitale meertreinensysteem levert aan de rails een spanning van ca 16 volt. Hierin zit een stroomgegevens verborgen. Elke loc wordt voorzien van een decoder die deze gegevens kan decoderen. Elke decoder heeft een uniek digitaal adres. Wanneer u een bepaalde loc wilt laten rijden, dan stuurt de digitale eenheid een serie opdrachten naar de decoder in de loc. De decoder zet de opdrachten om in een spanning voor de motor en de loc gaat rijden. Zo zijn ook frontseinen, rookgenerator, geluid, binnenverlichting, automatische koppeling los van elkaar en op afstand te bedienen. Door gebruik te maken van verschillende adressen zijn vele locs binnen dezelfde stroomkring individueel te besturen. Wissels en seinen kunnen worden aangesloten op een wisseldecoder, dit is echter niet verplicht, u kan ook met een conventioneel seintableau de wissels en seinen aansturen, het nadeel van deze manier van aansturen is dat het heel veel bedrading met zich meebrengt, met wisseldecoders voorkomt u dit en heeft u een hogere mate van bedrijfszekerheid. Elk wissel krijgt net als een loc een uniek nummer . Via de centrale eenheid zijn de wissels per stuk te verzetten, maar kunnen ook complexe wisselstraten met een druk op de knop ingesteld worden. Bij de meeste systemen kunnen de wissels op dezelfde stroomkring worden aangesloten als de rails. In theorie is de bedrading van een digitale baan daardoor veel eenvoudiger dan een analoge. De digitale techniek heeft nog meer mogelijk gemaakt. Diverse locs zijn tegenwoordig v.v. geluidseffecten, er zijn rijtuigen waarin gedanst wordt en spoorkranen kunnen via de centrale bediend worden. De digitale modelspoorder kan kiezen uit verschillende digitale meertreinensystemen. De bekendste zijn Märklin Digital en DCC. Vergelijk het maar met een videorecorder. Vroeger hadden we VHS, V2000 en Betamax. De cassette van het ene systeem paste niet in de videorecorder van het andere systeem. Alle systemen zijn gebaseerd op hetzelfde principe en werken min of meer vergelijkbaar. Hoewel het ene systeem wat meer kan als het andere, voldoen de gangbare systemen goed in de praktijk. Märklin Digital Märklin digital is het oudste en bekendste systeem. Het wordt ook wel het Motorola-formaat genoemd. Enkele jaren geleden werden de mogelijkheid van het systeem uitgebreid. Sindsdien spreken we van het nieuwe Motorola formaat (Motorola II) Alle loc- en wisseldecoders die met het oude formaat werken zijn compatible met het nieuwe. Het Märklin systeem is letterlijk “plug and play”en gemakkelijk in het gebruik. Door zijn modulaire opbouw kunnen de mogelijkheden stap voor stap uitgebreid worden. Er zijn aparte modules voor het bedienen van locs, het verzetten van wissels en het programmeren van wisselstraten. Met de interface kan het hele systeem aan de PC gekoppeld worden , zodat nog meer mogelijkheden ontstaan. Het instellen van de adressen van locs en wissels geschiedt met schakelaartjes (dipswitches) Ook het instellen van de maximumsnelheid en de optrek- en afremvertraging is bijna bij alle locs instelbaar. Er zijn geen moeilijke programmeerhandelingen nodig en daardoor kan iedereen zo met dit systeem aan de slag. Märklin Delta is een versimpelde versie van het Märklin Digital. Het Delta systeem is eigenlijk bedoeld voor kinderen en kent beperkte mogelijkheden. Zo kunnen er maximaal 5 locs bestuurd worden en is het digitaal verzetten van wissels niet mogelijk. Märklin Digital en Delta kunnen door elkaar op de baan gebruikt worden. De decoders in het Delta systeem hebben een minder geavanceerde motorregeling en maar een functie (verlichting) dit overigens met delta decoder van de Next Generation!! Als u serieus met digitaal wilt beginnen dan kunt u beter direct voor Märklin Digital kiezen en Delta overslaan. Zeker als u dit in de vorm van een startset koopt bent u zeer voordelig uit. DCC DCC (Digital Command Control) is uitgevonden door Lenz en vastgelegd in de normen van de Amerikaanse NMRA. Het systeem is bedoeld voor tweerail gelijkstroombanen. Er zijn diverse fabrikanten van DCC apparatuur en in principe zijn de onderdelen uitwisselbaar. Een locdecoder van fabrikant A en een wisseldecoder van fabrikant B werken prima samen met een centrale eenheid van fabrikant C. DCC is een systeem wat continue wordt doorontwikkeld. Lenz Digital Plus is het bekendste DCC systeem op de Europese markt. Ook Roco “Digital is Cool”is een DCC systeem. Wat ook uitbreidbaar is. Het systeem van Lenz is net als Märklin modulair van opzet. Het kan worden uitgebreid met een interface voor de PC, een extra handregelaar, wisselbesturing, etc. De verschillende modules worden met elkaar verbonden via de zogenaamde X-bus. Ook apparatuur van andere fabrikanten die zo’n aansluiting hebben kunnen met elkaar woorden gecombineerd. DCC kent geen schakelaartjes voor het instellen van adressen en andere zaken. Elke loc-decoder, wisseldecoder of terugmelddecoder moet via de centrale eenheid worden geprogrammeerd. Zo wordt niet alleen een adres ingesteld, maar van een locdecoder bijv. de optrek-en afremsnelheid en de maximum snelheid ingegeven. De geprogrammeerde waarde wordt in de decoders opgeslagen in CV’s (Configuratie Variabelen) Zo’n CV is niets anders dan een stukje geheugen in de decoder. Door de CV’s biedt het systeem meerdere instelmogelijkheden. De trein kan dan ook met de nieuwste decoders op de doorgaande rails geprogrammeerd worden en niet meer op een aparte programmeer rail, reuze handig. Andere systemen In Europa komen we nog twee andere systemen tegen : Selectrix van het merk Trix en FMZ van Fleischmann. Selectrix is een kwalitatief goed maar enigszins beperkt systeem, en de aanschaf van de decoders zijn vrij duur. De verwachting is dat dit systeem het in de toekomst af gaat leggen tegen het populaire DCC systeem, mede doordat Lenz steeds kleinere decoders gaat maken. FMZ kwam begin 80er jaren op de markt en is sindsdien niet verder meer ontwikkeld. FMZ kan zich dan ook niet meer meten met het Motorola en DCC-systeem. Fleischmann heeft dit onderkend en brengt nu in samenwerking met Uhlenbrock het Twin Center op de markt. Het Twin Center is een Multiprotocol apparaat dat zowel DCC als FMZ signalen ondersteunt. Oude en nieuwe decoders kunnen daardoor naast elkaar gebruikt worden. Bovendien is vrijwel alle DCC apparatuur met het Twin Center te combineren. De FMZ technologie heeft zijn langste tijd duidelijk gehad. Alles in een Met al die systemen op de markt was het slechts een kwestie van tijd dat iemand op het idee kwam ze allemaal te combineren in een apparaat. Sinds een paar jaar is het op de markt: de Intellibox van Uhlenbrock. De Intellibox is een multiprotocol centrale. Hij is in staat om de signalen van o.a. Märklin, DCC en Selectrix door elkaar heen uit te lezen. Voor u als gebruiker betekent dat een enorme keuze vrijheid. U kunt de locdecoders theoretisch van vrijwel alle merken door elkaar heen gebruiken. In de praktijk blijkt dat de werking toch een beetje tegen te vallen dus raden wij u aan een systeem te hanteren. Een enorm scala aan randapparatuur kan tegelijk op de Intellibox worden aangesloten, zodat u bijv. een DCC-lok kan besturen met een Control 80f van Märklin. Bovendien beschikt de Intellibox standaard over een computerinterface en de mogelijkheid om wisselstraten te programmeren ( schaduwstation) Het apparaat is scherp in prijs want u hoeft geen dure randapparatuur aan te schaffen, alles zit immers in de Intellibox. Het Twin Center van Fleischmann is een aangepaste versie van de Intellibox. Beide apparaten zijn functioneel gelijk. De Intellibox kan echter Märklin Digital, DCC, Selectrix, Arnold, Viessmann signalen genereren, terwijl het twincenter FMZ en DCC ondersteunt. De aansluitmogelijkheden zijn hetzelfde. Modelbaan en Computer Digitale systemen hebben de deur naar computerbesturing van de modelbaan wagenwijd opengegooid. Computer besturing biedt veel voordelen. Via een seintableau op het scherm kunt u bijvoorbeeld wissels stellen door ze direct met de muis aan te klikken en u hoeft geen wisselnummer meer te onthouden. De computer is ook in staat om de baan geheel of gedeeltelijk automatisch te besturen. Realistische seinstelsels, netjes afremmen en optrekken, rijden volgens dienstregeling, per loc instelbare schaalsnelheid, het zijn maar een paar van de mogelijkheden die computerbesturing biedt. Hierdoor kunt u genieten van een realistische treinenloop en hebt u zelf ook meer tijd om lekker te rangeren, zonder u zorgen te hoeven maken van de mogelijke rampen achter uw rug. Om de Pc aan te sluiten op het digitale systeem hebt u een interface nodig. Bij sommige systemen is dit een losse module en bij de Intellibox is deze geïntegreerd. De interface wordt met een RS232 kabel verbonden met de PC. Verder heeft u een programma nodig dat speciaal geschreven is voor de modelbaan. Er zijn diverse programma’s op de markt, die allemaal hun sterke en zwakke kanten hebben, Trainbrain is daar een van die verschillende pakketten heeft in leuke prijsklasse. U kunt hiervan een demoversie kopen voor € 2.50 u krijgt dan een goed inzicht wat de koopversie allemaal kan. Een digitale baan kopen is duurder als een analoge. Dat is niet zo vreemd als we kijken naar de extra mogelijkheden die het systeem biedt. Voor een digitale start bent u al gauw zo’n 185 euro kwijt, waarvan het leeuwendeel opgaat aan de centrale. Gelukkig is dat een eenmalige uitgave. De prijs van de decoders bedraagt ongeveer rond de 50 euro, ze zijn er al vanaf 33 euro. De gemiddelde prijs van een wisseldecoder schommelt zo ronde de 40 euro, maar daar kunt u 4 wissels op aansluiten. Een terugmelddecoder met 16 aansluitingen is te koop voor een vergelijkbaar bedrag. Afhankelijk van de grootte van uw baan zullen diverse randapparatuur , zoals keyboards, memory’s en booster ook op uw begroting drukken.U hoeft echter alles nooit in een keer aan te schaffen. Digitaal in de praktijk We gaan nu verder met de praktische kant van de zaak: digitaal rijden en schakelen. Ook staan we stil bij het fenomeen terugmelding. Het meest getoonde voordeel van het digitaal meertreinensysteem is het onafhankelijk laten rijden van verschillende locs binnen een stroomkring. Om digitaal te kunnen rijden heeft u een centrale eenheid en een loc met decoder nodig. De centrale eenheid wordt gevoed door een normale 16 volt trafo. De rails wordt direct aangesloten op de centrale eenheid. Nadat de loc op de baan gezet is toetst u het locadres in op de centrale eenheid en vervolgens kunt u de loc met de rijregelaar van de centrale eenheid besturen. De functies van de lok (bijv. licht, rook of geluid) zijn onafhankelijk van elkaar in of uit te schakelen. Een 2e lok besturen gaat net zo eenvoudig: op de centrale eenheid het nummer in toetsen en beide locs zijn geheel apart van elkaar te bedienen. Met een rijregelaar kunt u alle locs op de baan besturen door na elkaar hun nummers in te toetsen. Als u met diverse locs tegelijkertijd wilt rijden kunt u overwegen extra rijregelaars aan te schaffen. U hoeft dan niet telkens de locnummers in te toetsen, maar u kunt de locs aan verschillende rijregelaars toewijzen. Bij wisselstroom, Marklin Motorola, kunnen geen conventionele locs meer op de baan gebruikt worden, bij gelijkstroom, DCC, is het mogelijk een conventionele loc op de baan mee te laten rijden, deze lok is bestuurbaar maar heeft natuurlijk geen apart schakelbare functies. Let op: dit kan alleen bij centrales die een “nul” lokadres kunnen genereren. Decoders inbouwen In principe is het mogelijk om in elke loc een decoder in te bouwen. Nieuwere generatie HO gelijkstroommodellen zijn voorzien van een zogenaamde “schnitstelle” oftewel een standaard NEM stekker waar de decoder stekker zo in past. U maakt de kap los, prikt de DCC decoder in de loc, zoek een plaatsje voor de decoder, en klaar bent u. Bij oudere locs zal de decoder erin gesoldeerd moeten worden. Dit kan u beter aan de vakhandelaar overlaten, een foutje met het aansluiten en de decoder is stuk, U HEEFT DAN GEEN RECHT OP GARANTIE. Alleen voor de doorgewinterde hobbyist is dit eventueel te doen. Als wij de ombouw voor u verzorgen, bijv. bij een gebruikte lok, controleren wij ook de motor of deze erg vervuild is, als dat het geval is reinigen wij deze (gebeurt dat niet dan kan de decoder door teveel stroom afname defect gaan) en de decoder wordt dan correct ingebouwd. Bij oudere Märklin locs moet er ook gesoldeerd worden en het inbouwen daarbij is een pittig klusje, welke wij graag voor u verzorgen, inbouw achteraf bij een Märklin loc is een kostbare zaak duurder dan bij gelijkstroom. Maar de nieuwste Märklin locs zijn bijna allemaal al v.v. een decoder dit is als volgt te herkennen: Artikelnummers die beginnen met 34… zijn v.v. een Delta decoder Artikelnummers die beginnen met 37… zijn v.v. een hoogvermogen Digitaal decoder Artikelnummers die beginnen met 39… zijn v.v. een Sinus aandrijving. Locdecoders zijn er in alle prijsklassen. De goedkoopste zijn zo’n € 15.- en de duurste schommelen rond de € 140.- Dat prijsverschil is er niet voor niets. De goedkoopste decoders zijn doorgaans van bedenkelijke kwaliteit en die kunt u het beste links laten liggen. De betere, Lenz bijv. beschikken over uitgebreide mogelijkheden, zoals last regeling, een instelbare maximum snelheid en optrek- en afremvertraging. De last regeling werkt als een soort “cruise control”, die ervoor zorgt dat de loc onder wisselende belasting (helling op, helling af) even snel blijft rijden. De geavanceerde motorregeling geeft de loc meer kracht en een veel rustigere loop. Bovendien bieden ze vaak diverse extra functies of zelfs geluid. Het merk decoder dat u moet aanschaffen, wordt vooral ingegeven door het merk van de loc. Een Märklin loc rijdt over het algemeen het beste met een Märklin hoogvermogenaandrijving. Märklin heeft speciale ombouwsets in zijn programma onder de nummers 60901 en 60904. Bij de ombouw naar hoogvermogenaandrijving wordt ook een deel van de motor vervangen, zodat zelfs oudere locs beter rijeigenschappen krijgen. Gelijkstroomrijders zijn het best te spreken over de locdecoders van Lenz en ESU, die in allerlei soorten en maten te koop zijn. Digitaal schakelen Het digitaal schakelen van wissels en seinen is redelijk eenvoudig. U hebt er in ieder geval een centrale eenheid en keyboard voor nodig. Bij Märklin is dit een losse module, bij Lenz en de Intellibox is deze geïntegreerd. Om wissels aan te sluiten heeft u een wisseldecoder nodig. Op de meeste decoders kunnen 4 magneet artikelen aangesloten worden. De uitgang van een decoder levert een korte puls die de wisselspoel in beweging brengt ( bij Lenz is de uitgang ook constant te programmeren zodat er bijv. ook een lichtsein op aangesloten kan worden.). De decoder wordt met 2 draden aan de centrale eenheid verbonden en de drie draadjes van de wissels gaan naar de decoder. Vervolgens stelt u het adres van de decoder in. Het eerste wissel krijgt dit adres als nummer en de andere wissels krijgt de drie daarop volgende nummers. Stel dat u de decoder instelt op nummer 17, dan krijgen de wissels de nummers 17, 18, 19, 20. Nadat u het juiste adres op het keyboard hebt gekozen, kunt u de wissels verzetten door op de toetsen te drukken. Op dezelfde manier sluit u andere wisseldecoders aan. Let er wel op dat u per wisseldecoder een ander adresbereik kiest. Er zijn ook seinen en wissels waar de decoder al is ingebouwd of ingebouwd kan worden. Deze kan en klare oplossing is echter duurder dan werken met losse wissel- of schakeldecoders. De mogelijkheden nemen interessant toe met een “memory” of wisselstraatmodule. Deze maakt het mogelijk complete wisselstraten te programmeren. De wisselstraten kunnen automatisch gestuurd worden door schakelrails. Ook seinen kunnen onderdeel uit maken van de geprogrammeerde wisselstraten, zodat een bloksysteem of automatisch schaduwstation tot de mogelijkheden behoort. Veeleisende modelspoorders zullen echter snel voor kiezen een computer aan de ban te koppelen, waardoor bedieningsgemak en mogelijkheden flink toe nemen. Draaischijven, rolbruggen en kranen zijn ook digitaal aan te sluiten. Märklin brengt bijvoorbeeld een speciale decoder op de markt, waarmee de draaischijf eenvoudig gedigitaliseerd kan worden. De draaischijf is te bedienen met een apart keyboard. Hiermee is het o.a. mogelijk de draaischijf direct naar een bepaalt spoor te sturen of in een keer 180 graden te laten draaien. Het bedieningsgemak is een stuk groter dan bij de conventionele besturing. Hetzelfde geldt voor digitale kranen. Roco en Märklin bieden beide kranen met een decoder aan. Bij de Roco kraan gaat de besturing naar keuze via de centrale eenheid of via de joystick, waarmee zeer betrouwbaar sturen mogelijk is. De kraan kan v.v. worden van een elektromagneet of een functionele grijper. Het is zeer verslavend om met een grijpertje een lading grind uit een vrachtschip en in een gereed staande goederenwagon te scheppen. Voor een rolbrug zijn er (nog) geen kant en klare oplossingen. Meer vermogen Wanneer de baan wat groter wordt, zal er een moment komen dat het vermogen van de centrale niet meer voldoende is om alle locs van genoeg stroom te voorzien. Het uitgangsvermogen van de meeste centrales ligt rond de 50 VA en dat maximum bereikt u als er 4 tot 5 locs tegelijkertijd rijden. Bij overbelasting zal het systeem zichzelf regelmatig uitschakelen om overbelasting te voorkomen. Het is dan tijd om extra vermogen uit de kast te halen. De baan moet dan verdeeld worden in verschillende stroomkringen, die onderling geïsoleerd zijn. De extra stroomkringen worden elk gevoed door een booster. Dit apparaat wordt aangesloten de centrale eenheid en versterkt het digitale signaal dat door de centrale eenheid wordt opgewekt. In feite is de booster een kopie van de eindversterker die in de centrale eenheid is ingebouwd. Stel de baan is verdeeld in 3 stroomkringen, dan voedt u de eerste stroomkring direct uit de centrale eenheid en de andere 2 krijgen elk een booster. De boosters moeten op een aparte trafo worden aangesloten om extra energie te kunnen leveren. In totaal is er dan 150 VA (50 VA van de centrale +50 VA per booster) beschikbaar voor de baan. Daar kunnen zo’n 12 tot 15 locs tegelijk op rijden. Het totale stroomverbruik wordt niet alleen door de locs bepaald. Ook verlichte rijtuigen, draaischijven, kranen, wisseldecoders en randapparatuur gebruiken stroom. In de praktijk kan zo het maximum aantal rijdende locs beduidend lager liggen. Bij grotere banen wordt daarom aangeraden de centrale eenheid alleen te gebruiken voor het voeden van wisseldecoders, randapparaten en andere bijzondere gebruikers. De baan zelf wordt dan door verschillende boosters gevoed. Terugmelding Tot nu toe hebben we het alleen gehad over signalen van de centrale eenheid naar de modelbaan. Andersom is het ook mogelijk. Door middel van speciale terugmelddecoders kan het digitale systeem de standen van contactrails en schakelaars detecteren. Terugmelding is nodig als u op welke manier dan ook iets wil detecteren. Stel dat u met een memory het schaduwstation wilt automatiseren, dan moet de memory kunnen zien wanneer een trein het schaduwstation nadert en wanneer hij opgesteld is. Daarvoor monteert u contactrails in de sporen en sluit deze aan op een terugmelddecoder. De decoder wordt aangesloten op de memory en zo is het cirkeltje weer rond. Terugmelding wordt nog belangrijker als u met een PC aan de slag wilt. De computer kan alleen de baan automatisch besturen als hij continue kan zien waar de treinen rijden en waar niet. Hoe meer contacten u hebt aangebracht, des te nauwkeuriger de computer de baan kan besturen. Zo is het aan te raden per blok 3 contacten aan te brengen: aan het begin, waar de loc moet gaan afremmen en vlak voor het sein. Het lijkt misschien een hoop werk, maar het resultaat is zeker de moeite waard. Bij Märklin is het maken van terugmeldcontacten zeer eenvoudig. De beide spoorstaven worden normaal gebruikt voor de massa en de middenrail voor de plus. Bij de K-rails zijn de spoorstaven niet onderling verbonden, met uitzondering van sommige wissels.Wanneer we slechts een spoorstaaf voor de massa gebruiken, dan kunnen we de andere voor de terugmelding gebruiken. De vrije spoorstaaf wordt met plastik raillasjes in secties verdeeld. De sectie kunt u zo kort of lang maken als u zelf wilt. Elke sectie is een terugmeldt contact en wordt aangesloten op de andere ingang van de terugmelddecoder. Als terugmelddecoder kunt u de S88 van Märklin of een equivalent van een ander merk nemen. Viessman bijv. Normaal is de spoorstaaf nergens mee verbonden en zal de ingang van de terugmelddecoder niets detecteren. Zodra er echter een lok of wagon de sectie binnenkomt, zullen de beide spoorstaven verbonden worden door de assen. Daardoor wordt het terugmeldcontact verbonden met de massa en zal de ingang van de terugmelddecoder dat “zien”. Bij C-rails is dat wat ingewikkelder en moet de verbinding tussen de spoorstaven aan de onderkant van de bedding worden doorgeknipt. Het is aan te raden om bij wissels altijd beide spoorstaven te gebruiken voor de massa, zodat kleine locs niet blijven steken bij gebrek aan spanning. U kunt ook gebruik maken van standaard schakelrails of reedcontacten. Bij M-rails hebt u zelfs geen andere keuze. Een schakelrails of reedcontact kunt u direct aansluiten op een ingang van de terugmelddecoder. Tweerailsystemen vragen om een iets andere aanpak. Beide spoorstaven zijn nodig om de lok van spanning te voorzien, dus eentje alleen gebruiken voor terugmelding is geen optie. Met een kleine hulpschakeling kunnen we wel kijken of er op het spoor een stroomverbruiker staat. Met een stroomverbruiker wordt een lok of wagon met verlichting bedoeld. Deze manier van detecteren noemen we stroomdetectie, omdat wordt gekeken of er wel of geen stroom loopt. Ook nu verdelen we de baan in geïsoleerde secties. Per sectie gebruiken we een stroomdetectieschakelingetje en sluiten de ingang daarvan aan op de ingang van de terugmelddecoder. Zodra de loc in de sectie belandt, wordt de stroom door de loc gedetecteerd. Daardoor kan de terugmelddecoder zien dat de sectie bezet is. Met de hulpschakeling kunt u gebruik maken van de standaard terugmelddecoders. Lenz heeft hiervoor de LB100 stroomdetectie schakeling, die altijd samen met de terugmelddecoder LR101 wordt gebruikt. De LB100 kan eveneens aangesloten worden op een S88 terugmelddecoder, als u bijv. de Intellibox gebruikt. Er zijn ook terugmelddecoders waar de hulpschakeling al is ingebouwd, zoals de 5233 van Viessmann. Deze techniek werkt niet met onverlichte wagens, maar dat kunt u verhelpen door de isolatie tussen de wielen te overbruggen met weerstandslak of assen met weerstand voor spoorbezetmelding (Roco 40186, 40187). Het is natuurlijk ook mogelijk om gebruik te maken van reedcontacten, maar dan zult onder elke wagon een magneetje moeten plakken. |
|
|
Prijswijziging en type fouten voorbehouden
|